logo

05 Winter 1944 - 1945

Geschreven door Gerrie van 't Einde-Rozendal

In deze winter waren de scholen gesloten. ’s Woensdags kwam de klas samen bij iemand thuis in een kamer waar nog gestookt kon worden. De meester kwam langs en de kinderen kregen dan enkele uren les. Tevens kregen ze taken en huiswerk voor een hele week.
In die week waren er ook andere activiteiten: er was aan veel producten een tekort en de kinderen trokken dan ook naar de boeren in de omtrek om melk en rogge te kopen. Met gepast geld op zak, een tas met lege flessen voor de melk en een wit sloop voor de rogge bij zich trokken ze de wijde omgeving af.
Zo ook op een middag in november 1944. Enkele buurkinderen, een meisje en twee jongens, trokken vanuit Vaassen naar de Geerstraat. Een hele middag bezochten ze de ene boerderij na de andere. Het bracht echter niet veel op. Ze hadden slechts drie liter melk en een pond rogge bij elkaar gesprokkeld. Aan het einde van de Geerstraat nog even linksaf – dat leverde nog weer twee halve liters melk op. Een van de jongens stelde voor: “We gaan de andere kant op, want daar aan het einde van de bocht, in Terwolde, heb ik familie. Daar krijgen we vast wel een sneetje brood, want ik heb zo’n honger!” Ook bij de anderen begon de maag te knorren. Rond het middaguur hadden ze nog twee kleine sneetjes brood gegeten en ondertussen was het al na vieren. Dus fietste het drietal een eindje richting Terwolde, totdat het meisje zich bedacht: "Ik heb mijn moeder beloofd voor donker thuis te zijn”. Waarop de jongens zeiden: “Dan gaan we samen terug”. Zo maakten ze rechtsomkeert en reden terug naar de Geerstraat en daarna richting Vaassen. De fietsen hadden canvasbanden, wat verschrikkelijk stootte en normaal al heel zwaar fietste, maar nu hadden ze ook nog de wind tegen.
Onder het fietsen bedacht het meisje ineens: “Ik heb gehoord dat kinderen uit de stad bij de boerenmensen om een snee brood vragen. Zullen wij dat ook eens proberen?” De jongens zagen het wel zitten: “Dan ga jij maar eerst. Jij bent een meisje; dat lukt je vast wel”. De tweede boerderij rechts was aan de beurt. Het meisje opende het klompenhok voor de deur, laveerde tussen de klompen door en klopte aan de deur. Een vriendelijke boerin deed open en zei: “Och kiend, bin-ie d’r weer?” Het meisje knikte en zei: “Ik heb honger. Hebt u misschien een sneetje brood?” De boerin liet haar binnen: “Kom d’r maar gauw in, heur”. Het meisje aarzelde: “Ja, dat wil ik wel, maar ik heb nog twee buurjongens aan de weg staan”. De boerin aarzelde geen moment: “O, loat die dan ok maar kommen”. Het drietal kreeg eigengebakken stoete (heel groot) met smolt met köggies (gesmolten varkensvet met uitgebakken vet). De boerin vroeg of het drietal nog een tweede snee brood lustte. Het leek hen echter te onbehoorlijk om “ja graag!!!” te zeggen. Ze gingen weg met een herinnering dat ze nog nooit zulk lekker brood hadden gegeten.