logo

1550 Kasteel Cannenburch en zijn bewoners

Geschreven door Jas, Jorien

Tekst van een lezing, gehouden op 20-9-2006

Inleiding

Exterieur nu

Kasteel Cannenburch kan niet los gezien worden van de bewoners, die hier gedurende vier eeuwen hun stempel op het kasteel hebben gedrukt. Natuurlijk geldt voor de meeste kastelen dat kasteel en bewoners onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar voor de Cannenburch geldt dat de band met de bewoners niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt.

Hal

U denkt natuurlijk dat het vanzelfsprekend is dat hier in deze fraaie hal bewoners en hun voorouders op u neerkijken. Niets is minder waar. Toen kasteel Cannenburch in 1951 werd overgedragen aan de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen – de naam korten wij graag af tot Geldersche Kasteelen - heeft toenmalig directeur D.J.G. Buurman er voor moeten knokken om de portretten hier ter plaatse te behouden. Het had weinig gescheeld of de portretten waren uit de lijsten gesneden, meegenomen en verkocht.....

Buurman

Buurman heeft zozeer zijn stempel op de Cannenburch gedrukt, en de inrichting ademt nog steeds – terecht, want het kan niet beter - de sfeer van Buurman, dus het leek mij op zijn plaats een beeld van hem te tonen.
Mijn lezing van vanavond poogt u ook mee te nemen langs dat soort momenten in de geschiedenis; momenten waarop het een haar scheelde of het was anders gelopen...
Het is mijn overtuiging dat alleen door de bewustwording voor dat soort momenten de geschiedenis in voile breedte en diepte laat zien. En dat geldt ook voor de geschiedenis van de Cannenburch.
Maar het eigenlijke onderwerp van vanavond is `Kasteel Cannenburch en zijn bewoners' en ik geef u graag eerst in vogelvlucht een overzicht van de opvolgende generaties bewoners. De bewoners hebben als edelen niet alleen de belangrijke historische gebeurtenissen aan zich voorbij zien trekken, maar daar geregeld ook een actieve rol in gehad. Soms op pijnlijke wijze, zoals de plundering van de Cannenburch door Staatse troepen in 1590, of het omkomen in twee oorlogen van twee heren van Cannenburch, broers bovendien.

Marten van Rossem, stichter van het kasteel300   Marten van Rossem

Hij staat vooral bekend als trouwe dienaar van hertog Karel van Gelre bij diens hopeloze strijd voor een zelfstandig Gelre in de tijd dat de Habsburgse macht Brabant, Holland en Utrecht al ingenomen had.

Ging op strooptocht tot in Den Haag toe.
Diende tot 1543 de laatste zelfstandige hertog van Gelre: Willem II.
Trad daarna in dienst van Keizer Karel V, die hem benoemde tot keizerlijk stadhouder in Luxemburg.
Stierf in 1555 in Charlemont aan de pest en werd in Rossum begraven.

 

 

Kasteel Waardenburg

Geslacht Van Isendoorn

Naam van dit geslacht afkomstig van plaatsje IJzendoorn, even ten oosten van Tiel. Als stamvader geldt Rudolf de Cock, ridder, wiens gelijknamige zoon in 1265 kasteel Waardenburg stichtte (hij was vanaf 1281 heer van Isendoorn). Als u nu op kasteel Waardenburg komt, kunt u daar ook nog hetzelfde wapen terugvinden als de Van Isendoorn's droegen en hier op kasteel Cannenburch zo veelvuldig voorkomt met een gouden schildhoofd en drie blauwe 'paten' op een rode ondergrond. Het is waarschijnlijk de overeenkomst van dit wapen waarop de afstamming van Rudolf de Cock berust.

Pas zes generaties later ontstaat de band met kasteel Cannenburch, onder Johan van Isendoorn, wiens vrouw Margaretha van Rossem het kasteel kort voor haar dood in 1558 had geërfd van haar ongehuwde broer Marten van Rossem.

Hun zoon Hendrik van Isendoorn en diens vrouw Sophia van Stommel voltooiden den bouw en lieten hun beeltenissen op de toren aanbrengen.

Nog in de 16 de eeuw gaan de Van Isendoorns zich Van Isendoorn à Blois noemen. Zij meenden af te stammen van de Franse hertogen van Blois. Maar deze afstamming is nooit bewezen. Zelf voor de afstamming van ridder Rudolf de Cock schijnt het bewijs niet geleverd te worden. Toch slaagt het geslacht van Isendoorn er in een groot aanzien te verwerven; des te opmerkelijker als we bedenken dat de Van Isendoorns katholiek bleven, waardoor zij voor bepaalde ambten niet in aanmerking kwamen.

En het is dit geslacht Van Isendoorn a Blois dat kasteel Cannenburch blijft bewonen tot ver in de 19e eeuw.

Zij behoorden tot de ridderschap van de Veluwe en vervulden burgerlijke en militaire ambten. De laatste van het geslacht, Frederik Karel Theodoor van Isendoorn a Blois (1784-1865) werd bij Koninklijk Besluit in 1822 de titel van baron gegeven.

Hendrik van Isendoorn (-1594) was erfmaarschalk van het hertogdom Limburg.

Marten van Isendoorn (-1632) was ambtsjonker van Epe.

Elbert van Isendoorn (-1680) was dijkgraaf van Veluwe.

Johan Hendrik van Isendoorn (-1703) was ritmeester in dienst van de Verenigde Nederlanden. In 1703 liet hij het leven in de omgeving van Antwerpen, waar hij omkwam in de Slag bij Ekeren.

Frederik Johan van Isendoorn klom zelfs op tot luitenant–generaal in dienst van de Verenigde provincien.

Door goede huwelijken, en dan doelen we dan vooral op de zakelijke kant, (huwelijken waren politiek-zakelijke contracten) o.a. in de familie Van Wassenaer, Van Reede en Van Renesse van Elderen, wisten de heren van de Cannenburch een groot aanzien en een omvangrijk bezit te verwerven. De Cannenburch werd vele malen verbouwd en uitgebreid, van een compleet nieuw interieur voorzien en ingericht met een luisterrijke inboedel. Van die voormalige luister geeft de huidige inrichting nog een goed beeld. Dat is te danken aan het feit dat de portretten die vast in het interieur zijn opgenomen bewaard bleven. Doordat de bewoners ons vanaf de wand aankijken, herleeft hier de bewonersgeschiedenis. Daarnaast zijn we in de zeer gelukkige omstandigheid geweest dat een aanzienlijk aantal 18e eeuwse inventarisstukken inmiddels is teruggekeerd naar de Cannenburch. Daar zal ik vanavond speciale aandacht aan besteden, wat gerechtvaardigd wordt door bijzondere aankopen die Geldersche Kasteelen de afgelopen zomer heeft kunnen doen.

 

2. De geschiedenis van kasteel Cannenburch, aan de hand van de opvolgende generaties bewoners

 

Marten van Rossem

Onze illustere Marten van Rossem is niet de eerste eigenaar van de Cannenburch. De voorloper, het middeleeuwse kasteel, was in handen van verschillende illustere geslachten. Daaronder vallen behalve de naam Van Herwen vooral de namen Van Keppel en Van Arnhem op; geslachten die in het Gelderse van grote betekenis zijn geworden. In 1535 verkochten twee broers Van Keppel de Cannenburch aan hertog Karel van Gelre, met wie Marten van Rossem zo'n nauwe band had. Toch koopt Marten van Rossem de Cannenburch niet rechtsreeks van de hertog. Nog twee iegenaren zijn hem voor in de vijf jaar tussen het overlijden van de hertog en de aankoop van de Cannenburch door Marten van Rossem.

Marten van Rossem werd in 1478 in Zaltbommel geboren en droeg de volgende titels:

  • Heer van Poederoyen;
  • Pandheer van Bredevoort;
  • Heer van de Cannenburch;
  • Maarschalk van Gelderland;
  • Later heer van Lathem en Baer.

 

Marten van Rossem koopt de Cannenburch

Hij heeft al een glansrijke militaire carrière achter de rug als hij in 1543, hij is dan inmiddels 65 jaar oud, "de poll genant Kannenborgh", koopt. In die tijd werd met "poll" veelal een ruïne bedoeld, en meer was er op dat moment niet over van het middeleeuwse kasteel dat de voorloper is geweest van het huidige kasteel Cannenburch. Marten van Rossem koopt dus een ruïne. Maar niet zonder zich ervan te hebben vergewist dat de restanten van het voormalige kasteel goed benut kunnen worden om er een nieuw kasteel op te bouwen. Tweederde van de ruïne bebouwt hij, met een statig, drie verdiepingen tellend slot.

En nu moeten we ons gaan afvragen of Marten van Rossem niet veel meer was dat de brute militair, zoals hij veelal wordt afgeschilderd. Wat deed Marten van Rossem toen hij de Cannenburch liet bouwen? Hij zette een Renaissanceslot neer en introduceerde daarmee de Renaissancestijl in deze omgeving. Kort tevoren, vanaf 1539, had hij het Duivelshuis in Arnhem laten bouwen, en dat was nog niet voltooid toen hij de Cannenburch begon. Op de Cannenburch is hij al weer een stap verder, want in de voortoren zien we nog steeds de door Marten van Rossem gekozen klassieke zuilvormen, driehoekige frontons met daarin gebeeldhouwde schelpmotieven. Hiermee introduceerde hij de renaissancestijl in Gelderland, die vanaf 1550 opkwam. Voorop in de vernieuwing liep kasteel Cannenburch.

Daarom moeten we ons afvragen: "Is Marten van Rossem niet veel meer een erudiete geleerde dan een brute geweldenaar?". Hij was geïnteresseerd in de kunstvormen van zijn tijd, hij was een groot opdrachtgever van verschillende bouwwerken, hij oriënteerde zich naar alle waarschijnlijkheid internationaal en zocht naar vernieuwing. Heel interessant in dat kader is de voorschets voor de torenversiering die op een binnenmuur is aangetroffen tijdens de restauratie. Die vormt echt de overgang naar de nieuwe renaissancestijl, want in dat ontwerp zijn ook nog gotische vormen te herkennen.

 

Johan van Isendoorn en Margaretha van Rossem

Na het overlijden van Marten van Rossem in 1555 erft zijn zuster Margaretha of Margriet van Rossem kasteel Cannenburch. Dat was echter pas in 1558, en in dat jaar was haar echtgenoot Johan van Isendoorn al overleden en Margriet stierf in hetzelfde jaar, vanzelfsprekend zonder een rol van betekenis te hebben gespeeld op het kasteel.

Maar wel van grote betekenis is dat de Cannenburch hiermee overgaat op het geslacht Van Isendoorn, een band die meer dan drie eeuwen in stand blijft.

 

 

1563-1594
Hendrik van Isendoorn
en Sophia van Stommel

Hun oudste zoon Johan die Cannenburch erft, sterft een jaar later in 1559, waarna de Cannenburch langduriger in bezit komt van Hendrik van Isendoornen zijn vrouw Sophia van Stommel. Zij maken het werk van hun oom Marten van Rossem af. En het is daarom dat in het beeldhouwwerk in de voortoren, toen de ingangstoren, niet alleen een reliëf is uitgehouwen met een beeltenis van Marten van Rossem, maar in dezelfde toren zijn ook de portretten te zien van Hendrik en zijn vrouw Sophia.

Hendrik werd ervan verdacht te heulen met de Spanjaarden; hij zou voedsel hebben geleverd aan de Spaanse troepen die toen in Deventer gelegerd lagen. Dat kwam hem duur te staan: in 1590 plunderden de Staatse troepen de Cannenburch. Hendrik was lid van de Veluwse ridderschap en erfmaarschalk van Limburg, en hij was zo ambitieus om de toevoeging à Blois aan de naam van Isendoorn te laten toevoegen. Hij deed zelfs pogingen om Vaassen tot hoge heerlijkheid te laten verheffen. Sophia van Stommel maakte dat niet mee omdat zij al in 1576 overleed. Een dramatische episode in het leven van Hendrik was zijn tweede huwelijk. In 1594 trouwde hij met Anna van Steenbergen, die drie dagen na het huwelijk overleed.

Binnen het gezin van Hendrik van Isendoorn heeft verdeeldheid geheerst tijdens de 80-jarige oorlog. Het is een veel voorkomend fenomeen geweest in die tijd dat man en vrouw verschillende zijden kozen in die oorlog, of dat ouders en kinderen tegenover elkaar stonden in de oorlog. Zoon Steven sneuvelde in Spaanse krijgsdienst, terwijl de andere twee zoons van Marten: Hendrik en Elbert beide luitenant-kolonel werden in het Staatse leger, ondanks de weerstanden die in de eerste helft van de 17e eeuw tegen katholieken heerste in het leger.

 

1604-1632
Marten van Isendoorn
en Anna van Voorst

Deze Marten was de laatste Van Isendoorn die in de Veluwse ridderschap was opgenomen. Na hem werden de Van Isendoorn's uit dit college geweerd vanwege hun katholieke geloof. In 1617 had de Veluwse ridderschap namelijk al besloten katholieken te weren uit de ridderschap, maar zittende leden mochten nog wel lid blijven. Doordat lidmaatschap van de ridderschap was uitgesloten voor het nageslacht van Marten, kwamen zij ook niet meer in aanmerking voor belangrijke politieke functies.
Vooralsnog mochten katholieke edelen wel ambtsjonker blijven in de Veluwse schoutambten.

Inderdaad blijven de Van Isendoorn's die functie bekleden, wat hen een belangrijke lokale machtsbasis gaf. Maar ook hieraan komt een einde; vanaf 1732 konden de Van Isendoorn's geen ambtsjonker meer zijn.

Marten trouwde in 1598 met Anna van Voorst, maar dit was niet het enige huwelijk Van Isendoorn-van Voorst. Zijn broer Wolter trouwde met Margaretha van Voorst en zijn zuster Anna trouwde met Rienier van Voorst. Alle drie waren dit kinderen van Elbert van Voorst, heer van Schoonderbeek, en Johanna van Arnhem, vrouwe van het Oude Loo. Deze drie huwelijke kunnen niet los worden gezien van de voorkeur van beide geslachten voor het katholieke geloof.

 

Hendrik van Isendoorn

Hendrik van Isendoorn was de oudste wettige zoon van Marten van Isendoorn – dit betekent dat er ook een onwettige zoon was met een rijke schare nakomelingen, de bastaardtak Van Isendoorn - die uiteindelijk in de 18 de eeuw hun bezittingen in Epe en Oene nalaten aan Frederik Johan van Isendoorn. Deze Hendrik was geestelijke en daarom erfde de tweede zoon het Cannenburch-bezit.

 

 

1634-1680
Elbert van Isendoorn en
Maria Hadewig van Essen /
Odilia van Wassenaer

Elbert van Isendoorn, geboren in 1601, is de kleinzoon van Hendrik van Isendoorn en hij is degene die het kasteel naar het westen uitbreidt. Door zijn eerste huwelijk met Hadewig van Essen verkrijgt hij het abt van dijkgraaf van Veluwe, een niet-onaanzienlijke functie. Zijn vrouw stierf in 1646 bij de geboorte van een dochter.

De oude ruïne is tot dat moment onbebouwd gebleven. In de jaren 1661-1664 volgt de uitbreiding van de Cannenburch aan de westelijke zijde. Die uitbreiding komt – niet ontoevallig ­ vlak na zijn tweede huwelijk in 1658. Elbert van Isendoorn is dan al 57 jaar en trouwt met de vermogende Odilia van Wassenaer. Odilia brengt vermogen en bezittingen in, onder andere landerijen in Holland. Maar tot het erfdeel van Odilia hoort ook het regentschap van het Hofje van Nieuwkoop in Den Haag. Tot het uitsterven van de Van Isendoorns in 1865 hebben zij dit regentschap bekleed.

Het grondbezit van Odilia in het westen wordt echter te gelde gemaakt, om op die manier geld te verkrijgen om het grondbezit rond Vaassen, dat in de 17e eeuw nog niet groot was, uit te kunnen breiden. Overigens wordt dit grondbezit pas in de 18e eeuw aanzienlijk, en dan profiteren de Van Isendoorn's van enorme opbrengsten op momenten van oorlog, wanneer de graanimport stil lag. Ook in rijke oogstjaren waren de opbrengsten in die tijd groot. In enkele jaren zelfs zo groot, dat de rentmeester zich niet meer er om bekommerde op te schrijven wat de uitgaven waren.

Odilia stierf ook in het kraambed, in 1672, maar zij had al twee stamhouders nagelaten. Elbert stierf in 1680.

 

Door de uitbreiding naar het westen gaat de symmetrie van Marten van Rossem's slot verloren en krijgt de Cannenburch zijn huidige, onregelmatige plattegrond, die sindsdien niet meer gewijzigd is; het kasteel had zijn volle omvang bereikt.

 

Marten Albert van Isendoorn

Hun oudste zoon Marten Albert van Isendoorn komt in 1688 om in Engeland tijdens een van de vele oorlogen die koning-stadhouder Willem III voert, en hij is daarom maar korte tijd heer van Cannenburch.

 

1698-1703
Johan Hendrik van Isendoorn

Hetzelfde lot treft zijn broer Johan Hendrik van Isendoorn die in 1689 de Cannenburch van zijn broer erft. Johan Hendrik was behalve dijkgraaf van Veluwe ritmeester in 's Lands dienst. Hij komt in 1703 om in de slag bij Ekeren in de buurt van Antwerpen, waarvan een scene is weergegeven op zijn grote portret hier in de hal van de Cannenburch. In het jaar daarvoor, 1702, was zijn schoonvader overigens al omgekomen, net als de koning-stadhouder. Maar voor zijn voortijdige einde is hij 14 jaar lang eigenaar geweest van de Cannenburch. Door zijn fortuinlijke huwelijk met Margaretha van Reede is hij in staat in die korte periode toch een groot stempel te drukken op kasteel en omgeving.

Margaretha van Reede was dochter van de beroemde Godard van Reede, 1e graaf van Athlone en vrijheer van Amerongen, heer van Ginkel en Middachten, en Ursula Philipotha van Raesfeldt, erfdochter van Middachten.

Na het voortijdig overlijden van haar man voerde Margaretha van Reede het bewind over de Cannenburch. Haar niet-succesvolle bewind heeft de Cannenburch geen goed gedaan. Zij liet zich beïnvloeden door haar dochter Odilia en moeder en dochter gaven handen vol geld uit. Aanzienlijke schulden waren het gevolg en in 1726 willen schuldeisers niet lager wachten en dreigt de uitverkoop van de Cannenburch-inboedel. Margaretha van Reede heeft om die reden niet tot haar dood het bewind gevoerd, maar dat werd in handen gegeven van de jonge vrouwe van Cannenburch, Anna Margaretha van Renesse, de vrouw van Frederik Johan Van Isendoorn. Gezien deze situatie is het des te meer bijzonder dat er nog inrichtingsstukken op de Cannenburch te zien zijn, die onderdeel vormde van de inboedel van Johan Hendrik en Margaretha van Reede. De spiegel ca. 1700 die in de hal hangt stamt uit hun tijd.

Opvallend is dat Johan Hendrik en Margaretha vooral de oostkant bewoonden, terwijl hun zoon en schoondochter vooral de westkant bewoonden.

 

 

Elbert Godert van Isendoorn

Na zijn voortijdig overlijden in 1703 laat Johan Hendrik van Isendoorn vijf minderjarige kinderen na. De oudste, Elbert Godert van Isendoorn werd niet ouder dan vijftien jaar en overleed in 1712, maar had toen al de rang van kornet, dus trad in de militaire voetsporen van zijn vader.

 

1713-1771
Frederik Johan van Isendoorn

Zijn jongere broer Frederik Johan van Isendoorn kon het verder schoppen. Hij verkreeg op 66-jarige leeftijd de hoogste rang die een edelman uit dit geslacht zich denken kon: generaal der cavalerie van het Staatse Leger. Deze hoge functie kon hij vooral bereiken door de nauwe banden met het geslacht Van Reede. Frederik Johan diende in het regiment van zijn oom Reinder Van Reede, een regiment waarover hij in 1747 de bevelvoering overnam. Hij kreeg het commando in handen van de koning-stadhouder Willem IV ten overstaan van prinsen en generaals en zijn vrouw.

Zoals gezegd klom hij 18 jaar later nog hoger op de militaire ladder bij zijn bevordering tot generaal der cavalerie.

Frederik Johan van Isendoorn was de tweede zoon. Hij was vier jaar toen zijn vader overleed en veertien – en dus nog minderjarig - toen hij de Cannenburch erfde. Pas een kleine 20 jaar na het overlijden van zijn vader, kan Frederik Johan het bewind over de Cannenburch overnemen. Hij nam de functie van dijkgraaf van zijn vader over, was jachtraad van Veluwe en ambtsjonker van Epe, en bracht het tot generaal in dienst van de Verenigde Provincien.

 

Hij trouwde in 1726 met Anna Margaretha gravin van Renesse van Elderen, die op de Cannenburch een belangrijke rol zou gaan spelen. Zij brengt aanzienlijke bezittingen uit het Van Stepraedt-bezit in, maar belangrijker nog zijn haar uitgestrekte bezittingen in het prins­bisdom Luik, waarover zij trouwens flinke processen heeft moeten voeren met de familie Van Renesse. Uiteindelijk betekende haar erfenis een verdubbeling van het vermogen van de heren op de Cannenburch. De erfenis werd getaxeerd op minstens fl. 530.000,-, terwijl het Veluwse bezit fl. 400.000,- bedroeg.

Anna Margaretha was een geboren, eersteklas zakenvrouw. Zij beheerde het bezit bij afwezigheid van haar man, die door zijn militaire functies langdurige perioden afwezig was. Behalve de tienden en pachten waren de inkomsten uit de watermolens van groot belang. De Van Isendoorns speelden al in de 17e eeuw een belangrijke rol bij de aanleg van molenbeken en molens, waarvan de meeste papiermolens waren. De verpachting van het waterrecht voor tientallen watermolens vormde toen een belangrijke inkomstenbron. De industrialisatie van het Veluwse platteland was een feit en die industrie liep op water. Een bijkomend voordeel was dat het water niet alleen economisch voordeel bracht. Hetzelfde water kon gebruikt worden voor de esthetische verfraaiing van tuinen en parken en – net als op het Loo - werden bij de Cannenburch waterwerken als vijvers en cascades aangelegd.

In de tijd van Anna Margaretha van Renesse kwam er verandering in de verpachting van de molens. Met de industrie ging het slechter en de molens konden niet meer verpacht worden, maar moesten door de Van Isendoorn's teruggekocht worden en in eigen beheer en onderhoud worden genomen. En die omslag kwam op het moment dat Frederik Johan en Anna Margaretha de vrijwel failliete boedel overnamen!

Ze hadden dus schulden, in plaats van geld om de watermolens terug te kopen. Maar door het verstandige bewind van Anna Margaretha van Renesse keerde het tij en wist zij de schulden in 1765 volledig gesaneerd te krijgen. En in de tussentijd had zij de Cannenburch een geheel nieuw aanzien gegeven met een nieuwe ingangspartij en nieuwe brug, bouwhuizen aan het voorplein, smeedijzeren hekken en een grotendeels nieuw interieur! En ondertussen moest ze ook nog zeer veel geld spenderen aan de processen die zij moest voeren om haar Zuid-Nederlandse bezittingen weer in handen te krijgen! En dan had ze ook nog de kosten van de Rooms-katholieke schuilkerk, inmiddels niet meer de schuilkapel van het kasteel, maar de schuilkerk op de Oosterhof, waar ook 'note curee' woonde die een royaal salaris kreeg van 500 gulden per jaar.

Ze had de reputatie van harde onderhandelaarster. Dat blijkt niet zo snel uit de archieven, maar die archieven, waarin twee kasboeken van Anna Margaretha worden bewaard, vertellen wel iets over haar karakter. De uitgaven werden minutieus genoteerd in een kriebelig 18e-eeuws handschrift, en dan ook nog in een Frans dat grotendeels fonetisch geschreven is, doorspekt met verhaspeld Nederlands. Gemakkelijk leesbaar is het dus zeker niet. Maar er komen wel veel aardigheden en eigenaardigheden in naar voren. Er blijkt uit dat haar man geregeld bij haar moest aankloppen voor geld; om een reisje naar Arnhem te maken bijvoorbeeld, of om in de kerk bij het huwelijk van zijn dochter iets in de collectezak te kunnen doen. Er blijkt ook uit dat de dagelijkse boodschappen vooral in Deventer werden gedaan. En het Sinterklaasfeest werd uitgebreid gevierd: de kinderen kregen dan kado's van 100 tot 300 gulden, enorme bedragen voor die tijd. Ook carnaval werd gevierd, en dan trad voor het personeel een potsenmaker op. En bijna aandoenlijk zijn de vermeldingen over het kleine negerslaafje, `le petit housard' genaamd. We weten precies wanneer hij nieuwe kleren kreeg en nog meer details.

Frederik Johan overleed in 1771 en zijn vrouw Anna Margaretha in 1775. Zij lieten drie zoons en drie dochters na, maar er was maar 1 getrouwde zoon en 1 getrouwde dochter. Dit was wellicht geen toeval. Al vanaf het midden van de 17e eeuw volgden de Van Isendoorn's een veel gebruikte huwelijkspolitiek die er uit bestond dat maar 1 zoon en 1 dochter trouwden. Eventueel afgesplitste delen van het familiebezit kwamen dan vanzelf weer terug; alleen het erfdeel van de getrouwde dochter ging verloren.

 

Reinier Karel Joseph van Isendoorn

Gelukkig maakte de ouders niet mee dat de jongste zoon, Elbert Lodewijk, tijdens een jacht op de Cannenburch in 1785 per ongeluk door zijn kamerdienaar werd doodgeschoten. Het was aanvankelijk de tweede zoon Reinier Karel Joseph van Isendoorn (ongeh.) die de Cannenburch erfde. Hij was majoor in Oostenrijkse dienst en kamerheer van de keizer, geattacheerd aan het hof te Brussel. In 1782 verkocht hij de Cannenburch aan zijn broer Johan Hendrik Joseph van Isendoorn.

 

Johan Hendrik Joseph van Isendoorn

Hij was majoor in het regiment van zijn vader, maar verliet de dienst in 1771 toen hij zijn huwelijksbelofte aan Suzanne de Malapert verbrak, die een kind van hem verwachtte. Hij dreigde voor de krijgsraad te komen en trad daarom uit het leger. Op deze pijnlijke wijze kwam een einde aan de honderden jaren oude militaire traditie in het geslacht Van Isendoorn. Johan Hendrik was daarna meer op de Zuidelijke Nederlanden georiënteerd en lid van de Luikse ridderschap, maar keerde in 1783 op 56-jarige leeftijd terug en trouwde in hetzelfde jaar met de 23-jarige Caroline Freiiin von Venningen. Johan Hendrik overleed 7 jaar na zijn huwelijk in 1800.

Zijn vrouw had later onenigheid met haar twee zoons over de Cannenburch en verliet daarom de Cannenburch om in Nijmegen te gaan wonen. De zoons erfden de Cannenburch en daarbij ook een bezit van hun tante Henriette in Belgie: kasteel Feluy met de rijke kasteelinboedel en een groot landgoed. Pas in 1844, toen het huwelijk van de oudste zoon in zicht was, gingen de broers tot boedelscheiding over.
De oudste broer, Frederik Karel Theodoor baron van Isendoorn, kreeg de Cannenburch, het hof te IJzendoorn dat ook weer in het familiebezit was geraakt, en enkele kleinere bezittingen.
De jongste zoon Reinder Albert Lodewijk van Isendoorn verkreeg Feluy en enkele papiermolens en landerijen onder Epe en Vaassen.
De verdeling had echter weinig effect, omdat Reiner 12 jaar later ongetrouwd overleed en zijn deel weer in het bezit kwam van zijn oudere broer. Tot het bezit was inmiddels ook een grote collectie schilderijen, tekeningen en prenten gaan behoren. Reiner was zelf een niet onverdienstelijk etser, maar zijn betekenis als kunstverzamelaar is groter.

 

Frederik Karel Theodoor baron van Isendoorn

Na de Bataafse revolutie werd de adel als geprivilegieerde stand afgeschaft, maar ook de discriminatie van katholieken verdween. Onder Lodewijk Napoleon kregen katholieke edelen juist meer kansen en Frederik Karel Theodoor heeft deze benut: hij was raadslid van het arrondissement Arnhem en burgemeester van Vaassen. Na het herstel van de monarchie werden de beide broers in 1814 toegelaten tot de Gelderse ridderschap. En bij koninklijk besluit van 1822 werd aan hen en aan hun wettige nakomelingen de titel van baron gegeven. Het heeft er op geleken dat ook de oudere broer Frederik ongetrouwd bleef.

FCTh van Isendoorn
Maar hij trouwde, op nog hogere leeftijd dan zijn vader, namelijk op 63-jarige leeftijd met de toen 38-jarige Charlotte Theodora Maria Alexandrina barones van Oldeneel tot Oldenzeel. Dit huwelijk bleef kinderloos en toen Frederik Karel Theodoor baron van Isendoorn, lid van de Provinciale Staten en kamerheer van de koning in december 1865 op de Cannenburch overleed, kwam er een einde aan de drie eeuwen durende band tussen kasteel Cannenburch en de Van Isendoorn's. De laatste heer van de Cannenburch liet een vermogen na van bijna 3 miljoen gulden.