logo

32 Industrialisatie

Geschreven door Wim van 't Einde

Na de ‘eerste industrialisatie' in onze omgeving, waarbij gebruik werd gemaakt van wind-, maar vooral ook waterkracht, voltrok zich aan het einde van de negentiende eeuw een tweede industrialisatiegolf. Wind- en waterkracht werden vervangen door andere vormen van energie. Het zou leiden tot grootschaliger productiemethoden.

Een van de bedrijven die dezDe Industrie NVe overgang heeft meegemaakt was De Industrie in Vaassen. Dit bedrijf werd in 1867 gesticht, nadat de ijzergieterij op de Oosterhof (waar nu wasserij Van Delden is gevestigd) werd overgenomen door Teunis van Lohuizen. Kort daarna, in 1871, verhuisde het bedrijf naar de plek waar de beide Dorpermolens (en twee woonhuizen) net buiten het toenmalige dorp stonden. Nog steeds is het bedrijf daar gevestigd. Het water uit de beek kon ongeveer zeven paardenkrachten aan energie leveren, voldoende voor de nieuwe ijzergieterij van Van Lohuizen. Het water moest de ventilatoren van de oven aandrijven. De papiermolens werden omgebouwd tot een staniolfabriek. Staniol is zeer dun gewalst tin, een voorloper van het huidige aluminiumfolie. In 1892 ging het bedrijf over op modernere technieken en verving het waterrad door een stoommachine. Hoewel de machine een verhoogde productie mogelijk maakte, kon het bedrijf al snel de vraag naar haar producten niet meer bijhouden. De groei van het bedrijf bracht behoorlijke investeringen met zich mee, een reden om op 1 januari 1895 als Naamloze Vennootschap (N.V.) verder te gaan. Het bedrijf kon voldoende investeerders vinden om de noodzakelijke uitbreidingen te kunnen betalen. In 1898 besloten de aandeelhouders een nieuwe staniolfabriek te bouwen, waarmee ze aan de steeds groter wordende vraag konden voldoen. In latere jaren werd het bedrijf een aantal malen verder uitgebreid.

In de aanvangsfase van de N.V. ontstonden de eerste sociale regelingen. Hoewel de arbeidsomstandigheden naar onze begrippen nog erg primitief waren, richtte De Industrie in 1897 een ondersteuningsfonds op voor werklieden. Dankzij dit fonds kon een werknemer bij ziekte en andere tegenslagen de ergste problemen overwinnen. De inkomsten van het fonds bestonden uit een gedeelte van de winst van De Industrie, de opbrengst van de verkoop van de sintels en de ontvangen fooien. Teunis van Lohuizen zou hiermee vooruitlopen op de eerste sociale verzekeringswet, de Ongevallenwet. Toen deze wet in 1901 van kracht werd, besloot De Industrie de risico's samen met een aantal andere werkgevers, coöperatief, te dragen.

Naast oog voor de arbeidsomstandigheden, had De Industrie ook aandacht voor de sportieve vrijetijdsbesteding van de Vaassenaren. Mede daardoor kreeg Vaassen sportvelden, een tennisbaan, een sporthal en een openluchtzwembad. Ook zorgde De Industrie voor een Vaassens badhuis.

Na 1900 zouden ook andere bedrijven in de vaart van de industrialisering worden opgericht, Zoals de Wattenfabriek Utermöhlen (1907), Vulcanus (1920) en Venz (1930). De genoemde bedrijven zorgden er niet alleen voor dat de teruglopende werkgelegenheid in de landbouw werd opgevangen, maar droegen tevens bij aan de verandering van het agrarische Vaassen: het dorp zou daardoor uitgroeien tot een meer industriële samenleving.