logo

18b Bidprentje

bidprentje 1bidprentje 2  

Jan wijst mij vervolgens op een vitrine waarin een bidprentje ligt van Lambertus Thomas van de Burgt. Deze man, afkomstig uit Arnhem, had als evacué onderdak gevonden in Teuge, gemeente Voorst. Eén dag voor de bevrijding sneuvelt hij door toedoen van een groepje Duitse militairen op het erf van landbouwer Christiaan Geerling (De Bokkerij) in Vaassen. Hoe wrang kan iets zijn?

Het toeval wil dat een vrijwilliger van het museum ons kan vertellen dat deze man geëvacueerd was bij zijn schoonouders, de familie Bosgoed. Vader Bosgoed had Van de Burgt ten zeerste afgeraden naar Vaassen te gaan, maar de man was niet op andere gedachten te brengen.

Lambertus van de Burgt woonde aan de Steenstraat in Arnhem, was van beroep boekhandelaar en ongehuwd.

In het proces-verbaal, opgemaakt op 17 april 1945 door wachtmeester Franciscus Cornelis Marie van Viersen, valt meer over de toedracht van dit drama te lezen.

Geerling verklaarde dat zijn boerderij van 14 t/m 16 april door Duitse militairen in beslag was genomen. Hij moest met z’n gezin de woning verlaten en kreeg onderdak bij de buren.

Op 16 april, rond 19.00 uur zag Geerling 5 à 6 militairen met twee in burger geklede personen naar zijn woning gaan. Een van de twee mannen kwam enige tijd later terug, maar de andere persoon had hij niet meer gezien. Diezelfde avond hoorde Geerling vlak bij zijn huis een vuurstoot uit een automatisch vuurwapen. Kort daarna zag hij een paar militairen een zwaar voorwerp over de afrastering tillen, om er vervolgens mee in de boomgaard van zijn huis te verdwijnen.

De volgende dag waren de militairen verdwenen en ging Geerling naar zijn boomgaard waar hij een schuilkelder gegraven had.

‘’Ik zag dat hierin stroo en aarde lag. Daar ik op den bodem van bedoelden schuilkelder planken had liggen, wilde ik deze planken opgraven. Toen ik hiermede bezig was, kwam een lijk van een mij onbekenden man tevoorschijn.’’

De wachtmeester ging na deze verklaring onmiddellijk naar de boerderij van Geerling en vond het lijk van een man, leeftijd ongeveer 40 jaar, iets kaalhoofdig, een glazen oog, gekleed in bruin colbertkostuum, groot postuur. De man had een bril met hoornen montuur, een haarkammetje, een rozenkrans en een zakdoek, gemerkt J.B., bij zich. Uit de verwondingen bleek dat hij door een serie kogels in de rug getroffen was. Een verder onderzoek volgde, waarna Clemens August Helmken, manufacturier, geboren te Arnhem op 24 oktober 1907, wonend aan de Rosendaalschestraat in Arnhem en thans geëvacueerd in Beekbergen, aangaf de overledene te herkennen. Hij was een neef van het slachtoffer. Helmken bleek ook de Noodschadekaart en een stamkaart van Van de Burgt in bezit te hebben, die door wachtmeester Van Viersen in beslag werden genomen.

De doodschouw werd verricht door dokter H.R. van de Molen uit Terwolde.

Het proces-verbaal werd afgesloten met de vermelding dat de doodsoorzaak een gevolg was van oorlogshandelingen en ieder ander misdrijf uitgesloten was.

Clemens August Helmken verklaarde zich bereid, na verkregen toestemming, voor de begrafenis te willen zorgen.

Het verbaal werd door Van Viersen ondertekend en overgedragen aan zijn groepscommandant, die het vervolgens stuurde naar de Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank in Zutphen.